Het is een koude winternacht in februari. Buiten is het stiller dan anders omdat een klein laagje sneeuw het geluid dempt. De meeste mensen genieten van een diepe slaap. Dat geldt helaas niet voor ons gezin. Mijn man loopt ijsberend door de slaapkamer met onze 7 weken jonge baby in zijn armen. Hij wiegt haar in de hoop dat ze na uren huilen eindelijk in slaap valt. Ik loop naar de badkamer waar ik een plens koud water in mijn gezicht gooi. Ik schrik als ik mijzelf in de spiegel zie. De vermoeidheid eist zijn tol. Zo moet dus ‘op je tandvlees lopen’ eruit zien.
Ik ga terug naar de slaapkamer en voel de bezorgdheid die de ruimte vult. Waarom huilt ons meisje zo? Zijn het haar darmen of is toch weer het maagzuur wat omhoog komt wat ons al weken in zijn greep houdt. In de vermoeide ogen van mijn man zie ik de wanhoop: “doe jij het maar, misschien kun jij haar troosten” zegt hij en hij overhandigt mij onze mooie kleine meid. Ook ik voel de machteloosheid. Sinds haar tweede week op aarde kan ze ontroostbaar huilen van de pijn. Als moeder hoop ik haar met mijn liefdevolle armen de rust en ontspanning te bieden die zij nodig heeft om te kunnen vechten tegen dat wat ze verborgen reflux noemen. Ik ga zitten op het bed en hoop met heel mijn hart dat haar lijfje ontspant, maar ik zie haar verkrampen. Haar gebalde vuistjes, rode hoofd en opgezette buik verraden haar pijn. Er is niets wat ik kan doen om het te verlichten, dat is allang gebleken.
Ik zing een rustig liedje, terwijl ik naar het lijden van mijn kleine meisje kijk. Ik voel mijn tranen branden. Ik vecht ertegen, omdat ik sterk wil zijn voor haar. En ik hoop vurig dat ze mijn zorgen en verdriet niet voelt, maar ik weet dat dit wishfull thinking is. Ik merk dat ik het gevecht verloren heb, zodra een zoute traan mijn tong raakt. Ineens is ze stil. Twee prachtige blauwe ogen kijken mij doordringend aan alsof ze willen zeggen “mama niet huilen, het komt goed”’. Ik vertel haar op mijn beurt hoe onvoorstelbaar dapper en krachtig ze is. Een paar seconden hebben wij contact en geniet ik van de oorverdovende stilte, totdat de volgende huilbui zich aandient. We weten dat dit uren kan duren, dus ga ik er beter voor zitten. Een extra kussen in mijn rug en mijn arm die rust op het voedingskussen.
En terwijl we samen zo zitten, vraag ik me af waarom een baby niet geboren kan worden met een volmaakt spijsverteringstelsel. En waarom onze dochter daar zo vreselijk veel last van moet hebben. Ineens kan ik mij heel goed voorstellen dat ouders compleet overspannen raken van een ‘huilbaby’. Of eigenlijk, ik kon mij dat al heel goed voorstellen, maar ik ondervind het nu aan den lijve. Ik vraag me af of mijn dochter mij spiegelt en wat dit dan zou zijn. Wat is mijn eigen aandeel hierin? Dan realiseer ik mij dat mijn gedachten met mij op de loop gaan. Mijn aandacht breng ik weer terug naar mijn meisje, maar ik merk dat het na zo weinig slaap erg moeilijk is om aandachtig te blijven. Toch probeer ik bewust mijn ademhaling tot diep onderin mijn buik te voelen. Ik besef dat we uit deze vicieuze cirkel moeten komen, het patroon moeten doorbreken. Maar hoe doe je dat als je er middenin zit en door gebrek aan slaap er moeilijk van een afstand naar kunt kijken. Moedeloos en radeloos, dat is hoe ik mij voel.
Plotseling lijkt het huilen minder te worden. Morgen denk ik, morgen ga ik een oplossing vinden. “Ik stop niet met vechten tegen deze refluxdraak” fluister ik in haar oor. Misschien moeten we probiotica geven tegen de krampen en de medicatie aanpassen. Ergens weet ik dat ik mijzelf voor de gek houd, maar alles beter dan haar laten opnemen in het ziekenhuis. Ik zie dat ze haar ogen sluit. Het speentje valt uit haar mond en ik zie dat mijn man ook zijn rust heeft gevonden. Pas dan durf ik mijn ogen ook te sluiten. Met haar in mijn armen vallen we alle drie dan toch eindelijk in slaap.
Rebecca de Jong
Reageer